Hallo wereld, wereld

Het plein is vol met kraampjes. Er lopen veel mensen deze zaterdagmiddag op De Grote Markt in Haarlem.

Ik hoor opeens twee kinderstemmen die harmonieus zingen: “Wie wil er een knuffel van me? Wie wil er een knuf-fel?”. Mijn ogen gaan op zoek naar waar de stemmen vandaan komen. En ik zie ze. Op tien meter afstand is een groentenkraam. Naast de bloemkolen voor € 1,95 staat een bakfiets, waarin twee blonde meisjes zitten. Ik schat de ene 5 jaar oud en de andere 3. De twee meisjes hebben een rood-wit geblokt zakje in hun handen, waarin een grote stroopwafel zit. Ze kijken af en toe mijn kant op. Misschien hebben ze mij al een poosje bekeken.

“Wat staat daar?”. Nog een kinderstem, links van me. Ik draai me in de richting waar de stem vandaan kwam, mijn ogen bestrijken de menigte mensen. En ik zie een bruinharig meisje van een jaar of 4 met een fel gekleurde jas aan. Ze staat in d’r uppie op zeven meter afstand van me en kijkt omhoog naar mij en mijn bordje.

“Hier staat dat ik knuffels uitdeel. Voor de mensen die dat fijn vinden”.

Ik ben stil en zie hoe haar gezicht in dezelfde fronsende uitdrukking blijft staan.

“Wil jij een knuffel van me?”, vraag ik haar. En zeg rustig: “En mag ik er dan één van jou?” Ik open mijn armen en wacht rustig de reactie op mijn vraag af.

Ze blijft me aankijken en begint haar bovenlichaam een beetje naar links te draaien. Dan strek ik mijn armen haar richting uit en zeg: “Het mag, hoor!”

Ze glimlacht en loopt op me af. Ze komt tegen mijn rechterbeen aan staan en omarmt mijn heupen met haar gespreide armen. Ik sla mijn armen om haar rug. “O, wat fijn! Dankijewel!”, zeg ik.

Ze laat me los, draait zich om en roept: “Ik heb die meneer een knuffel gegeven!”.

Nu zie ik aan de andere kant van de weg een man op de stoep staan. Hij staat met een fiets in de hand, het stuur wijst deze kant op. In een zitje op de bagagedrager zit een jonger kind. De man glimlacht breed en kijkt naar het meisje dat tussen ons in staat. Hij kijkt naar mij en glimlacht nog een keer. Ik denk: gelukkig, nu weet ik bij wie ze hoort!

En ik denk: opvallend veel kinderen hier vandaag! Het bruist van nieuw leven zo richting het voorjaar.

Ik voel een glimlach op mijn gezicht en hoor weer kinderstemmen: “Hallo wereld, wereld, de wereld is van mij…..”

Geen verbinding

Ik sta op het Klokhuisplein, het is fris vanmiddag en er schijnt een waterig zonnetje op mijn gezicht en lijf. Er lopen winkelende mensen om me heen. Ik heb mijn bordje Free Hugs in mijn handen en houdt mijn armen omhoog.

Vanuit de verte zie ik een jonge vrouw en een jonge man mijn richting uit komen. Zij heeft lang, zwart, prachtig krullend haar en draagt een bril. Ik schat ze beiden halverwege de dertig. Ze praten met elkaar. Ik zie dat zij haar handen en armen beweegt en als ze dichterbij zijn, wordt het volume van haar stem duidelijker. Ze praat hard.

Op vijf meter afstand ziet ze me staan. Ze houdt haar ogen en hoofd op mij gericht, glimlacht en opent haar armen. “Free Hugs!”, roept ze, “O, ja hoor, natuurlijk krijg je een hug van me! Ik loop niet zomaar aan je voorbij, hoor!”.

Ik sta aan de andere kant van de weg, glimlach en open mijn armen. En loop langzaam haar richting op. Vanuit mijn ooghoeken zie ik fietsers aankomen, houdt mijn pas in en steek mijn handen omhoog. Ik onderbreek mijn loop en sta stil. Zij staat ook stil en de fietsers passeren.

Midden op de weg komen we bij elkaar. We omarmen elkaar en ik sluit mijn ogen. “Zo’n kans laat ik toch niet voorbij lopen”, zegt de vrouw. Ze praat door. Het klinkt hard in mijn oren.

Ik ervaar in mijn eigen lichaam ontspanning en daar waar mijn lichaam het hare raakt, voel ik spierspanning en continu beweging. “Dit is niks voor jou, he”, zegt ze, “dit is echt iets voor mij, hoor!”, hoor ik haar zeggen. En terwijl ik haar omarm, voel dat haar lichaam blijft bewegen, voel ik me alleen. Ik denk: geen verbinding!

Ik laat mijn armen zakken, doe een stapje naar achter en kijk haar aan in het gezicht. Oprecht vraag ik: “Knuffel je wel vaker?”

“Ja, je denkt toch niet dat ik hieraan voorbij loop, he. Dat vind ik niet kunnen, hoor! Dit is zo leuk!”, zegt ze. De jonge man staat nu naast haar en haar gezicht is naar hem toegekeerd.

“Kon je de knuffel ook voelen?”, vraag ik.

“Voor sommige mensen is dit niets, he”, zegt ze.

Ik herhaal mijn vraag en zeg: “En kon je de knuffel ook voelen?”

Nu kijkt ze me aan en zegt: “Tuurlijk kon ik hem voelen!”.

Ik doe een klein stapje naar achteren, glimlach en wens haar een fijne middag. “Voor jullie allebei een fijne middag!”, voeg ik eraan toe.

Als ze van me vandaan lopen, voelt mijn lichaam wat zwaarder en gespannen aan. Ik sluit even mijn ogen en concentreer me op mijn eigen ademhaling, voel hoe ik op mijn voeten en benen sta. Stevig. Ik adem wat zwaarder uit. En adem weer een flinke teug licht in.

Obligaat

Ik zie hem op me af komen lopen, een forse, lange 60-ger. Hij ziet er goed verzorgd uit, draagt kleding die ik herken als merkartikelen. Ik besluit hem aan te spreken: “Wilt U een knuffel, meneer?”.

Hij stopt, fronst zijn voorhoofd en vraagt overrompeld: “Doet U dit voor een goede zaak?”.

“Alleen maar”, antwoord ik. Ik zie hem stilstaan, fronsen, dichterbij komen, stilstaan, fronsen. Ik kan niet inschatten wat hij gaat doen. Mijn armen houd ik open en zeg: “Ik ben hierin gespecialiseerd!” Ik denk: wat zeg ik nou?

Hij komt wat dichter bij, buigt zich een beetje en brengt zijn armen achter mijn rug. Dan klopt hij met zijn linkerhand stevig en aanhoudend op mijn rechterschouder. De mattenklopper!, denk ik.

Wanneer hij zes, zeven klopjes heeft gegeven, vind ik het genoeg en breng mijn bovenlichaam wat naar achteren. Hij laat mij los en maakt ook een stapje naar achteren.

“Knuffelt U wel vaker, meneer?”, vraag ik.

“Ach, ja, ik ben er niet vies van. Zeker wanneer ik een goede vrind ontmoet, dan vind ik het wel es prettig om hem met een hug te begroeten, in plaats van met een hand”.

“U zegt ‘een goede vriend’, omarmt U dan geen vrouwen?”, vraag ik.

“Nou, met vrouwen is dat toch anders. Daar ontkom ik er bijna niet aan om die obligaat te kussen op de wang”.

Indische familie

Ik zie haar al van een afstandje op me afkomen. Een oudere vrouw met een fiets aan de hand, die met een open en energieke blik haar omgeving in zich opneemt. Nu ziet ze mij en het bordje Free Hugs in mijn handen. Ik open mijn armen en spreek haar aan: “Wilt U een knuffel?”. Ik zie een brede glimlach en haar hele gezicht ontspant en doet mee.

Ze komt mijn richting op en ik loop haar tegemoet. We huggen met de fiets tussen ons in. Ik zeg: “Mag ik U een persoonlijke vraag stellen, bent U Indisch?”.

“Voor één achtste”, zegt ze. En vertelt ‘daar’ geboren te zijn en op Oost-Java te zijn opgegroeid. “Ik ben uit ’36 en sinds de oorlog zonder vader, hoe oud was ik, acht, negen? Ik heb vier familieleden verloren aan de Birma spoorlijn”.

Ze vertelt over een vriendin die onlangs in Oost-Java was en de naam van haar familie liet vallen. En dat deze achternaam daar met enorm ontzag en respect was ontvangen. Nu nog, na al die jaren. Door de bijzondere, heldhaftige daden die haar opa en vader in die tijd daar hebben gedaan. Ik zie nu hoe haar ogen vochtig worden en de spieren haar gezicht veranderen. Haar gezicht lijkt zachter ineens.

“Mag ik U vragen wat Uw achternaam is?”, zeg ik. En ze noemt deze.

“Schrijf je dat hetzelfde als die auteur die vorig jaar de prijs voor zijn boek heeft gewonnen?”, vraag ik. Ze knikt. “Maar hij is geen directe familie van me”, zegt ze. We praten door en delen over onszelf.

Als we het gesprek afronden, begroeten we elkaar en ter afscheid spreid ik mijn armen. We huggen elkaar nog een keer. En bedanken elkaar voor het gesprek.

Ik doe een paar passen en loop langzaam een rondje op dit hoekje van het plein. En opeens zie ik een heel vertrouwd gezicht tussen de fietsen tevoorschijn komen. Een gezicht dat ik al ken sinds ik 17 was en zij ter wereld kwam. Ik zie nu een grote glimlach en ze doet direct de armen open. Vandaag speciaal omgereden voor een hug met mij: mijn oudste nichtje, ook Indische familie!